
De zoon van wijlen oud-president Chandrikapersad Santokhi heeft in een opvallend openhartig interview op Radio Awaaz harde uitspraken gedaan over zijn relatie met zijn vader, zijn arrestatie en de manier waarop hij door de samenleving wordt beoordeeld.
Waar velen na het overlijden van Santokhi een emotionele reactie verwachtten, maakt zijn zoon duidelijk dat de band tussen hen volgens hem nooit warm of hecht is geweest.
“Ik had geen emotionele band met hem,” zegt hij. “Hij was thuis ook een politieman.”
Met die uitspraak doorbreekt hij het beeld van een vanzelfsprekende vader-zoonband rond de overleden oud-president. Volgens hem was zijn vader wel aanwezig als kostwinner en ondersteuner in materiële zin, maar ontbraken juist de menselijke nabijheid, emotionele aandacht en bescherming die hij als kind nodig had.
De zoon stelt dat hij in zijn jeugd meerdere keren in onveilige situaties terechtkwam, juist vanwege de politieke en maatschappelijke rol van zijn vader. Hij zegt dat hij werd bedreigd, geïntimideerd en zelfs fysiek werd belaagd door mensen die het op Santokhi hadden gemunt, maar dat hij zich daarin niet gehoord of beschermd voelde.
Volgens hem heeft dat diepe sporen achtergelaten.
De maatschappelijke kritiek op zijn houding na het overlijden van zijn vader wijst hij dan ook resoluut van de hand. Dat mensen hem kil of emotieloos noemen, noemt hij een misvatting van buitenstaanders die niets weten van wat zich binnen de familie heeft afgespeeld.
Hij zegt dat hij op zijn eigen manier rouwt, maar dat zijn reactie niet los gezien kan worden van de afstandelijke relatie die er jarenlang bestond.
Naast zijn persoonlijke uitspraken sprak hij ook uitgebreid over zijn recente arrestatie. Volgens hem zat hij twee weken vast op beschuldiging van smaad, laster en belediging van het openbaar gezag. Hij zegt dat zijn telefoons, laptop en paspoorten nog steeds in beslag zijn en spreekt van politieke vervolging en schending van zijn rechten.
Daarbij spaart hij ook het Surinaamse rechtssysteem niet. Hij uit stevige kritiek op de politie, zijn behandeling tijdens detentie en de manier waarop volgens hem met verdachten wordt omgegaan.
Opvallend is ook dat hij aangeeft geen traditionele religieuze rol te zullen vervullen bij de uitvaartceremonieën van zijn vader. Hij noemt zichzelf christen en zegt dat hij geestelijk al afscheid heeft genomen. Volgens hem is zijn vader nu in Gods handen en hoeft hij zich niet te voegen naar rituelen waar hij zelf niet achter staat.
Tegelijkertijd spreekt hij ook waardering uit voor wat zijn vader materieel voor hem heeft gedaan. Zo zegt hij dat hij dankzij zijn vader een woning heeft en op dat vlak niets te klagen heeft. Juist dat contrast maakt zijn verhaal des te opvallender: dankbaarheid voor de zorg in praktische zin, maar openlijke pijn over het ontbreken van affectie, bescherming en echte verbondenheid.
Met het interview legt de zoon van Santokhi niet alleen een persoonlijke wond bloot, maar ook een bredere discussie over familie, macht, opvoeding, cultuur en publieke beeldvorming in Suriname.
Zijn slotboodschap is duidelijk: het leven gaat verder, maar Suriname moet veranderen.