Tijdens een Israëlische luchtaanval op een tentenkamp bij het Al Shifa‑ziekenhuis in Gaza zijn vier journalisten van Al Jazeera en een lokale assistent om het leven gekomen. Volgens het Israëlische leger was Anas Al Sharif, een van de gedode journalisten, tevens een Hamas‑commandant die verantwoordelijk zou zijn geweest voor raketaanvallen op Israël. Al Jazeera en internationale mensenrechtenorganisaties betwisten deze lezing en stellen dat het om gerichte aanvallen op journalisten gaat. De aanval vond plaats temidden van hevige bombardementen in Gaza, waar het conflict tussen Israël en Hamas in de vierde maand is beland.
Het doden van journalisten heeft een storm van internationale kritiek ontketend. Qatar, waar Al Jazeera is gevestigd, sprak van “moord” en eiste een onafhankelijk onderzoek. De Verenigde Naties herinnerden Israël eraan dat journalisten onder internationaal humanitair recht worden beschermd en dat het opzettelijk aanvallen van mediapersoneel een oorlogsmisdaad kan vormen. Israël stelt dat het oorlog voert tegen Hamas en dat Hamas burgerdoelen en journalisten gebruikt als menselijk schild. Inmiddels melden persvrijheidsorganisaties dat dit conflict het dodelijkste is voor journalisten sinds de Tweede Wereldoorlog.
De incidenten versterken de druk op Israël om de proportionaliteit van zijn militaire acties te heroverwegen. Vrienden van Israël, waaronder Duitsland en Groot‑Brittannië, hebben opgeroepen tot terughoudendheid. Ook het Internationaal Strafhof houdt de situatie nauwlettend in de gaten. In de tussentijd wordt het voor verslaggevers steeds gevaarlijker om vanuit Gaza te rapporteren. Veel lokale journalisten voelen zich gedwongen toch te blijven, omdat hun verhalen cruciaal zijn voor het wereldwijde begrip van het conflict. De roep om transparantie en verantwoording zal naar verwachting nog luider worden naarmate het conflict voortduurt.