
De hoogste bestuursrechter van Nederland, de Raad van State, heeft geoordeeld dat een in Suriname geboren vrouw haar Nederlanderschap terecht heeft verloren na langdurig verblijf buiten het Koninkrijk. Daarmee blijft een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag in stand.
De zaak draaide om een vrouw die in 1957 in Suriname werd geboren en bij haar geboorte het Nederlanderschap verkreeg. Zij verhuisde in 1971 naar Nederland, maar werd in 2006 uitgeschreven uit Nederland nadat zij naar Suriname was geëmigreerd.
In 2007 nam zij via naturalisatie de Surinaamse nationaliteit aan. In 2018 vroeg zij bij de Nederlandse ambassade in Suriname een Nederlands paspoort aan.
De minister van Buitenlandse Zaken weigerde echter om die aanvraag in behandeling te nemen. Volgens de minister had de vrouw haar Nederlanderschap al op 8 februari 2017 automatisch verloren.
De beslissing is gebaseerd op artikel 15 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Volgens deze wet kan een meerderjarige Nederlander zijn nationaliteit verliezen wanneer hij of zij:
Omdat de vrouw zowel de Nederlandse als Surinaamse nationaliteit had en langer dan tien jaar in Suriname woonde, stelde de minister dat het Nederlanderschap automatisch verviel.
De vrouw vocht de beslissing aan en stelde dat haar persoonlijke situatie onvoldoende was meegewogen.
Volgens haar kon zij vanwege gezondheidsproblemen zoals epilepsie, diabetes en hypertensie niet zelfstandig voor zichzelf zorgen. Ook wees zij op haar sterke familiebanden met Nederland, waar haar familie woont en haar financieel ondersteunt.
Daarnaast voerde zij aan dat een psychiatrische verklaring uit Suriname bevestigde dat zij afhankelijk is van anderen.
De rechtbank Den Haag oordeelde eerder al dat de minister de zaak zorgvuldig had beoordeeld. Volgens de rechtbank was er geen sprake van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie die het verlies van het Nederlanderschap onredelijk zou maken.
De Raad van State sluit zich daarbij aan. De rechters oordeelden dat de argumenten in hoger beroep grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat er geen reden is om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank blijft in stand en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De beslissing werd op 11 maart 2026 openbaar uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.