Rotterdam – Een voormalige analist van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) is door de Rechtbank Rotterdam veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf voor het ongeoorloofd onder zich houden van staatsgeheime documenten. De rechtbank sprak hem echter vrij van de zwaarste beschuldigingen: het doorgeven van staatsgeheimen aan de Marokkaanse inlichtingendienst DGED.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk staatsgeheime documenten uit beveiligde systemen heeft geprint, mee naar huis heeft genomen en daar heeft opgeslagen of gescand. Ook had hij digitale gegevensdragers met gerubriceerde documenten bij zich toen hij op 26 oktober 2023 op Schiphol werd aangehouden, vlak voordat hij naar Marokko wilde vertrekken.
Tijdens het onderzoek troffen autoriteiten een grote hoeveelheid gevoelige informatie aan:
De documenten waren afkomstig van onder meer de AIVD, MIVD en internationale partners. Volgens de rechtbank ging het om informatie waarvan openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor de nationale veiligheid of voor bondgenoten van Nederland.
Het Openbaar Ministerie beschuldigde de analist ervan staatsgeheime informatie te hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst Direction Générale d’Études et de Documentation (DGED).
Hoewel de verdachte meerdere keren naar Marokko reisde en contact had met personen die mogelijk banden hebben met de DGED, kon volgens de rechtbank niet worden bewezen dat hij daadwerkelijk geheime informatie heeft overgedragen.
Ook voor voorbereidingshandelingen voor spionage werd hij vrijgesproken. De rechtbank stelde dat de cruciale schakel in het bewijs ontbrak: concrete aanwijzingen dat informatie daadwerkelijk aan buitenlandse actoren is verstrekt.
Volgens de rechtbank heeft de analist door zijn handelen onacceptabele risico’s voor de staatsveiligheid gecreëerd.
De verdachte werkte jarenlang voor de NCTV en had vanuit zijn functie toegang tot gevoelige informatie. Door deze documenten buiten de beveiligde werkomgeving te bewaren en mee te nemen tijdens reizen, schond hij volgens de rechtbank zijn ambtelijke verplichtingen en het vertrouwen van de overheid.
Tegelijkertijd stelde de rechtbank dat er geen bewijs is dat hij kwaadwillende intenties had bij het bewaren van de documenten.
De rechtbank legde uiteindelijk een gevangenisstraf van 20 maanden op. Omdat de verdachte deze periode al grotendeels in voorlopige hechtenis had doorgebracht, werd zijn voorlopige hechtenis opgeheven.
De zaak kreeg veel aandacht omdat het Openbaar Ministerie aanvankelijk 12 jaar cel had geëist wegens vermeende spionage.