
PARAMARIBO – De regering verhoogt de salarissen van landsdienaren en de met hen gelijkgestelden met 15 procent, maar heeft daarover geen akkoord bereikt met de vakbeweging. De bonden verzetten zich niet tegen de uitbetaling, maar weigeren het percentage als resultaat van de loononderhandelingen te aanvaarden. Ondertussen blijft onduidelijk hoeveel de maatregel de Staat precies gaat kosten en uit welke middelen deze wordt gefinancierd.
De opmerkelijke situatie is vastgelegd in een gezamenlijke persverklaring van 27 augustus 2026. Daarin staat dat de regering na gesprekken met de vakbonden heeft besloten de algemene salarisverhoging toe te kennen. Tegelijkertijd wordt aan het einde van dezelfde verklaring nadrukkelijk benadrukt dat er geen akkoord is bereikt.
Dat betekent dat de verhoging geen gezamenlijk overeengekomen loonresultaat is, maar een besluit van de regering. De vakbonden accepteren dat landsdienaren het geld ontvangen, maar willen tegenover hun achterban niet verantwoordelijk worden gehouden voor de hoogte van het percentage.
CLO-voorzitter Michael Miskin verklaarde tegenover Starnieuws dat Ravaksur PLUS met een eis van 25 procent de onderhandelingen inging. De veiligheidsbonden zouden 55 procent hebben gevraagd, met 25 procent als eerste tranche.
De gezamenlijke onderwijsbonden zouden volgens Miskin zelfs een verhoging van 400 procent hebben gevraagd en minimaal 75 procent als eerste stap hebben verlangd. Niet duidelijk is of die eis uitsluitend betrekking heeft op een algemene salarisverhoging of ook bedoeld is om langdurige achterstanden en de waardering van onderwijsfuncties te herstellen.
Tegenover deze eisen stelde de regering aanvankelijk een verhoging van 10 procent voor. Dat bod werd afgewezen. Uiteindelijk besloot de regering het percentage op te trekken naar 15 procent, zonder dat de vakbonden daarmee instemden.
Volgens Miskin kunnen de bonden 15 procent niet als onderhandelingsresultaat verdedigen tegenover hun leden. Daarom werd in de gezamenlijke verklaring expliciet opgenomen dat geen akkoord is bereikt.
Ook over de ingangsdatum en uitvoering bestaat nog onduidelijkheid. In de verklaring staat dat de verhoging “per direct” wordt toegekend en eind september 2026 moet ingaan. President Jennifer Simons sprak tijdens de persconferentie over een verhoging per 1 september.
Miskin verklaarde echter dat in september eerst 10 procent wordt uitbetaald en dat de resterende 5 procent in oktober volgt. De regering zou voor deze spreiding hebben gekozen om te voorkomen dat de hogere overheidsuitgaven direct extra druk veroorzaken op de inflatie.
Daarmee is nog niet duidelijk of landsdienaren eind september daadwerkelijk 15 procent meer ontvangen of dat de volledige verhoging pas in oktober zichtbaar wordt. Evenmin is bekendgemaakt of de aanpassing met terugwerkende kracht vanaf 1 september geldt.
Ook ontbreekt duidelijkheid over de vraag of de verhoging volledig wordt opgenomen in het basissalaris en automatisch doorwerkt in pensioenen, toelagen, overuren, vakantiegeld en andere salarisgerelateerde vergoedingen.
President Simons zegt dat de beschikbare financiële ruimte vooraf door het ministerie van Financiën is doorgerekend. Volgens haar zal de regering geen uitgaven doen wanneer die de economie ernstig kunnen verstoren. Zij verwacht niet dat de verhoging van 15 procent een grote inflatoire werking zal hebben.
De onderliggende berekeningen zijn echter niet openbaar gemaakt. De gezamenlijke verklaring vermeldt niet hoeveel landsdienaren en gelijkgestelden onder de maatregel vallen, hoeveel de verhoging in 2026 kost en wat de structurele jaarlast vanaf 2027 wordt.
Ook is niet bekend uit welke begrotingspost de maatregel wordt betaald en of hiervoor een begrotingswijziging bij De Nationale Assemblée moet worden ingediend. Zolang deze gegevens ontbreken, kan niet onafhankelijk worden vastgesteld of de salarisverhoging volledig is gedekt en welke gevolgen zij heeft voor andere overheidsuitgaven.
De regering en de vakbeweging hebben wel overeenstemming bereikt over de instelling van een gemengde werkgroep. Deze bestaat uit acht vertegenwoordigers van de regering en zeven vertegenwoordigers van de vakbeweging.
De groep krijgt drie maanden om concrete voorstellen uit te werken voor de verdere invulling van de arbeidsvoorwaarden en het bijbehorende financiële kader. Wie precies in de werkgroep plaatsnemen en of besluiten bij stemming of consensus worden genomen, is nog niet bekendgemaakt.
Evenmin is vastgelegd wat er gebeurt wanneer de werkgroep binnen de gestelde termijn opnieuw geen overeenstemming bereikt.
De verklaring is namens de regering ondertekend door minister van Binnenlandse Zaken Marinus Bee, tevens voorzitter van de presidentiële commissie, en Vincent Fernandes, directeur van Financiën. Namens de vakbeweging tekenden vertegenwoordigers van Ravaksur PLUS, BVL/ALS, de gezamenlijke onderwijsbonden en de veiligheidsbonden.
De salarisverhoging biedt landsdienaren op korte termijn enige verlichting, maar beëindigt het loonconflict niet. De regering kan stellen dat zij een eerste financiële stap heeft gezet, terwijl de bonden verdere onderhandelingen kunnen voeren zonder de 15 procent als eindresultaat te accepteren.
Daarmee is het geschil in feite voor drie maanden doorgeschoven. Aan het einde van die periode moet blijken of de regering aanvullende financiële ruimte kan vinden en of de sterk uiteenlopende eisen van de verschillende vakbondsblokken met elkaar kunnen worden verzoend.
Tot die tijd ontvangen landsdienaren meer geld, maar bestaat er nog altijd geen loonakkoord.