
PARAMARIBO – Minister David Abiamofo van Natuurlijke Hulpbronnen heeft een opmerkelijke verklaring afgelegd over de goudconcessies van Ronnie Brunswijk. Toen Brunswijk in 2020 vicepresident werd en de concessies niet langer op zijn eigen naam konden blijven staan, zou hij volgens de minister zelf hebben aangegeven welke personen de concessies moesten aanvragen. Die onthulling roept de vraag op of werkelijk afstand werd gedaan van de concessies, of dat alleen de namen van de officiële houders veranderden.
Abiamofo reageerde tijdens een persmoment op de maatschappelijke ophef over goudconcessies die aan Brunswijk en personen uit zijn omgeving worden gekoppeld. Volgens de minister gaat het niet om nieuwe concessies, maar om bestaande rechten voor kleinschalige mijnbouw die al jarenlang werden verlengd.
“Iedereen in Suriname weet dat meneer Brunswijk al zoveel jaren die concessies heeft”, verklaarde Abiamofo.
De concessies stonden volgens hem oorspronkelijk op naam van Ronnie Brunswijk als natuurlijke persoon. Toen Brunswijk in 2020 vicepresident werd, ontstond echter een grondwettelijk probleem.
Artikel 96 van de Surinaamse Grondwet bepaalt dat de president en vicepresident rechtstreeks noch zijdelings mogen deelnemen in een concessie of onderneming die in Suriname is gevestigd of daar activiteiten ontplooit. Grondwet van Suriname
Abiamofo zegt dat hij Brunswijk daarom heeft meegedeeld dat de concessies niet langer op diens naam konden worden verlengd.
“Hij kon geen concessies op zijn naam hebben”, aldus de minister.
Wat daarna gebeurde, is het meest opvallende gedeelte van de verklaring. Volgens Abiamofo heeft Brunswijk vervolgens zelf aangegeven welke personen de concessies moesten aanvragen.
“Hij heeft aangegeven wie de personen worden die de concessies gaan aanvragen. En dat hebben ze gedaan.”
De minister maakte niet bekend wie deze personen zijn, hoeveel concessies op deze manier van aanvrager veranderden en wat hun relatie met Brunswijk is.
De verklaring van Abiamofo roept meer vragen op dan zij beantwoordt. Wanneer een politicus zelf bepaalt welke personen zijn concessies moeten aanvragen, is daarmee nog niet vastgesteld dat hij ook economisch en bestuurlijk volledig afstand van die concessies heeft gedaan.
Dat onderscheid is belangrijk. Artikel 96 verbiedt namelijk niet alleen rechtstreeks, maar ook zijdelings deelnemen in een concessie of onderneming.
Dat Brunswijk personen heeft aangewezen, bewijst op zichzelf niet dat hij tijdens zijn vicepresidentschap indirect eigenaar of begunstigde bleef. Daarvoor moeten de eigendomsverhoudingen, financiële transacties en feitelijke bedrijfsvoering worden onderzocht. De uitspraak van de minister geeft echter wel aanleiding voor zo’n onderzoek.
De centrale vraag is niet uitsluitend op wiens naam de concessies kwamen te staan, maar wie er uiteindelijk aan verdiende en wie feitelijk zeggenschap bleef uitoefenen.
Brunswijk verklaarde in januari 2024 zelf dat hij de leiding over zijn goudconcessies aan zijn zoon had overgedragen. Tegelijkertijd maakte hij duidelijk dat hij bij de goudsector betrokken bleef.
Die eerdere verklaring krijgt door de woorden van Abiamofo opnieuw betekenis. Als Brunswijk zelf bepaalde wie de concessies moest aanvragen en daarna betrokken bleef bij de activiteiten, moet worden vastgesteld waar zijn betrokkenheid eindigde en die van de nieuwe concessiehouders begon.
Een administratieve wijziging van de naam van een concessiehouder is immers niet automatisch hetzelfde als het beëindigen van alle financiële of zakelijke belangen.
Abiamofo vindt de huidige ophef “selectief”. Volgens hem waren de concessies al tien tot vijftien jaar bekend en zijn ze onder verschillende ministers herhaaldelijk verlengd. Het gaat volgens de bewindsman om rechten voor kleinschalige mijnbouw van maximaal 200 hectare, die telkens voor maximaal twee jaar worden verleend.
Daarmee verdedigt hij vooral de historische oorsprong van de concessies: ze zouden niet recent speciaal voor Brunswijk of zijn omgeving zijn uitgegeven.
Maar die verdediging beantwoordt niet de belangrijkste vragen over de periode waarin Brunswijk vicepresident was. Dat de concessies ouder zijn, zegt niets over de manier waarop ze na 2020 werden overgedragen, wie de nieuwe houders werden en of Brunswijk daar rechtstreeks of zijdelings bij betrokken bleef.
President Jennifer Geerlings-Simons heeft inmiddels bepaald dat voorlopig geen nieuwe mijnbouwconcessies mogen worden uitgegeven en bestaande rechten niet mogen worden verlengd of overgeschreven. Ook heeft zij om een gedetailleerd overzicht van de bestaande concessies gevraagd. Surinaamse regering
Dat overzicht moet duidelijk maken:
Zonder deze informatie kan niet worden gecontroleerd of werkelijk afstand werd gedaan van de concessies of dat het belang achter andere namen werd voortgezet.
Abiamofo probeerde de ophef te temperen door te benadrukken dat het om oude concessies gaat. Zijn eigen verklaring maakt de kwestie echter groter.
De minister heeft nu publiekelijk bevestigd dat Brunswijk betrokken was bij het aanwijzen van de personen die de concessies na zijn aantreden als vicepresident gingen aanvragen. Daarmee is de discussie niet langer beperkt tot de vraag wanneer de concessies oorspronkelijk zijn verstrekt.
De nieuwe vraag is wie ze op papier overnam, wie ze in werkelijkheid beheerde en wie uiteindelijk het goud ontving.