
PARAMARIBO – DNA-ondervoorzitter Ronnie Brunswijk heeft in het parlement vraagtekens geplaatst bij de conclusie dat de vervuiling van de Saramaccarivier haar oorsprong heeft in het gebied rond de Moeroekreek. Hij verwijst naar een afstand van ongeveer achttien kilometer en naar levende vissen die hij tijdens een persoonlijk bezoek aan het gebied heeft gezien. Maar wie zijn argumenten naast de onderzoeksbevindingen legt, ziet een fundamenteel probleem: Brunswijk presenteert geen eigen metingen, geen laboratoriumresultaten en geen hydrologische analyse. Sterker nog, zijn belangrijkste argument – dat hij levende vissen zag – botst met een cruciale bevinding van het NMA-onderzoek: ook in levende vissen zijn cyanide en zware metalen aangetroffen.
Brunswijk deed zijn uitspraken tijdens de openbare vergadering van De Nationale Assemblée, waar president Jennifer Simons uitleg gaf over de resultaten van het onderzoek van de Nationale Milieu Autoriteit (NMA). Hij begon zijn bijdrage met waardering voor de komst van de president, maar trok vervolgens de geografische herkomst van de vervuiling in twijfel. “Is het inderdaad zo dat vervuiling heeft plaatsgevonden in Maripastongebied, Moeroekreek, zoals men zegt?”, vroeg Brunswijk. Hij benadrukte daarbij dat zijn kritiek niet rechtstreeks tegen Simons is gericht. Volgens hem ontvangt de president haar informatie van de betrokken deskundige instanties.
Brunswijk vertelde vervolgens dat hij na de bekendmaking van de onderzoeksresultaten persoonlijk naar het gebied is gegaan om zich te oriënteren. Hij beschreef hoe hij naar de mijnbouwlocatie ging, naar de aanwezige putten keek en probeerde te reconstrueren hoe een mogelijke lekkage volgens hem richting de Moeroekreek zou moeten bewegen. Hij zag daar levende vissen. Volgens Brunswijk werden zelfs vissen gevangen en heeft hij daarvan beelden op zijn telefoon. Ook wees hij erop dat de plaats waar de dode vissen zijn aangetroffen ongeveer achttien kilometer verwijderd is van de mijnbouwlocatie.
Dat zijn observaties die aanleiding kunnen geven tot aanvullende vragen, maar het is geen tegenonderzoek. Brunswijk presenteerde in het parlement geen watermonsters, geen analyses van visweefsel, geen gemeten concentraties van chemische stoffen en geen hydrologische gegevens waarmee de bevindingen van de NMA worden weersproken. Hij erkende dat zelf ook. “Ik ben niet die deskundige”, zei Brunswijk. Dat hoeft hem er als parlementariër niet van te weerhouden kritische vragen te stellen, maar er bestaat een belangrijk verschil tussen vragen stellen over een technisch onderzoek en op basis van persoonlijke waarnemingen suggereren dat de conclusie mogelijk niet klopt.
Ook de afstand van ongeveer achttien kilometer is op zichzelf geen tegenbewijs. Die afstand staat niet los van het onderzoek, maar moet worden bezien binnen de onderzochte verspreidingsroute van de vervuiling. De relevante vraag is niet simpelweg hoeveel kilometer tussen de vermoedelijke bron en de plaats van de vissterfte ligt, maar hoe het water stroomt, hoe de verontreiniging zich heeft verspreid en wat op verschillende locaties daadwerkelijk is gemeten. Een rivier- en kreeksysteem is immers geen stilstaande bak water. Een verontreinigende stof kan zich met het water verplaatsen, concentraties kunnen per locatie verschillen en een lozing kan tijdelijk zijn geweest. Achttien kilometer is daarom geen bewijs dat de vervuiling onmogelijk vanuit het gebied rond de Moeroekreek kan zijn gekomen.
Nog problematischer is Brunswijks verwijzing naar de levende vissen die hij tijdens zijn bezoek heeft gezien. Zijn redenering suggereert dat wanneer de vervuiling werkelijk uit het aangewezen gebied afkomstig is, verklaard moet worden waarom daar nog vissen rondzwommen. Maar juist daar levert het NMA-onderzoek een belangrijk gegeven. Volgens de gepresenteerde onderzoeksresultaten zijn ook in levende vissen zware metalen en cyanide aangetroffen. Een vis hoeft dus niet dood aan de oppervlakte te drijven om aan schadelijke stoffen te zijn blootgesteld. Een levende vis kan verontreinigd zijn. Wie naar een kreek kijkt en daar vissen ziet zwemmen, kan daaruit niet concluderen dat het water schoon is.
Brunswijk vertelde het parlement dat hij beelden op zijn telefoon heeft van de levende vissen die hij aantrof. Die beelden kunnen aantonen dat daar op dat moment vissen leefden, maar daarmee houdt de bewijskracht grotendeels op. Een telefoonbeeld kan geen cyanideconcentratie bepalen, geen zware metalen in visweefsel meten en geen chemische samenstelling van het water vaststellen. Evenmin kan daarmee worden gereconstrueerd hoe een verontreinigende stof zich door het watersysteem heeft verspreid. Dat maakt het opmerkelijk dat juist levende vissen een belangrijk onderdeel vormen van Brunswijks twijfel, terwijl het onderzoek heeft vastgesteld dat ook levende vissen verontreinigd zijn.
Dat betekent niet dat de NMA boven kritiek staat. Als de autoriteit concludeert dat de onderzoeksresultaten met meer zekerheid richting de Moeroekreek wijzen, moet zij kunnen laten zien hoe die conclusie tot stand is gekomen. Waar zijn watermonsters genomen? Waar zijn vissen bemonsterd? Welke concentraties werden op verschillende locaties aangetroffen? Hoe ziet de hydrologische verbinding tussen de mijnbouwlocatie, de Moeroekreek en de Saramaccarivier eruit? En welke andere potentiële bronnen zijn onderzocht? Dat zijn inhoudelijke vragen waarmee de onderzoeksconclusie daadwerkelijk kan worden getoetst.
Ook moet duidelijk blijven dat het aanwijzen van een concessie van staatsbedrijf Grassalco niet automatisch betekent dat Grassalco zelf de vervuiling heeft veroorzaakt. Vastgesteld moet worden welke onderneming daar daadwerkelijk mijnbouwactiviteiten uitvoerde, welke winningsmethode werd gebruikt, welke chemicaliën aanwezig waren en welke milieuvoorwaarden golden. Daar ligt nog een belangrijke verantwoordelijkheid voor de regering en de NMA.
Brunswijk hoeft de NMA niet op haar woord te geloven. Hij mag naar het gebied gaan, vragen stellen en aanvullende metingen eisen. Dat behoort tot zijn controlerende taak als parlementariër. Maar wie twijfel zaait over onderzoeksresultaten moet onderscheid maken tussen wat hij persoonlijk heeft gezien en wat daarmee daadwerkelijk is bewezen. Brunswijk heeft geen tegenonderzoek gepresenteerd. Hij heeft een gebied bezocht, putten bekeken, levende vissen gezien videos gemaakt en vervolgens zijn eigen conclusies en vragen daartegenover gezet. Geen van die waarnemingen toont aan dat de NMA het bij het verkeerde eind heeft met het spoor richting de Moeroekreek.
Sterker nog, zijn meest zichtbare argument wordt door de onderzoeksresultaten zelf ondergraven. Brunswijk zag levende vissen. De onderzoekers onderzochten levende vissen. En daarin werden cyanide en zware metalen aangetroffen.
De discussie over de Saramaccarivier mag daarom niet veranderen in een wedstrijd tussen wat een politicus met eigen ogen heeft gezien en wat onderzoekers daadwerkelijk hebben gemeten. De NMA moet haar gegevens zo volledig mogelijk openbaar maken en uitleggen hoe het spoor richting de Moeroekreek tot stand kwam. Die transparantie is noodzakelijk en Brunswijk heeft het volste recht daarom te vragen.
Maar totdat daadwerkelijk tegenbewijs wordt gepresenteerd, blijft zijn bezoek aan het gebied precies wat het is: een persoonlijke observatie, geen tegenonderzoek. De achttien kilometer ontkracht het onderzoek niet en levende vissen bewijzen al helemaal niet dat het gebied schoon was. In dit dossier is niet de belangrijkste vraag of een vis nog kon zwemmen. De vraag is wat er in die vis zat – en waar die verontreiniging vandaan kwam.