
PARAMARIBO – Suriname rekent op duizenden arbeidsplaatsen bij nieuwe mijnbouwactiviteiten, maar moet nog uitwerken hoeveel mensen wanneer nodig zijn en hoe zij worden opgeleid. Minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu erkent dat de voorbereiding eerder had moeten beginnen. Bij zijn uitleg noemt hij ook een mogelijke tussenoplossing: tijdelijk personeel uit het buitenland aantrekken terwijl Suriname zijn opleidingsachterstand inhaalt.
“Zijn we te laat? Klein beetje. Ja”, antwoordde Brunings tijdens zijn persconferentie op vragen over de beschikbaarheid van voldoende geschoolde arbeidskrachten.
De aanleiding was de aangekondigde personeelsbehoefte van ongeveer 3.600 mensen bij de uitbreiding van het Saramacca Mining-project van Staatsolie en Zijin Rosebel Gold Mines. Een journalist legde de minister voor dat een technische opleiding dit collegejaar met slechts 145 studenten zou zijn begonnen. Hoe moet Suriname onder die omstandigheden duizenden arbeidsplaatsen invullen?
Brunings verwees naar Suriname 3.0, het traject waarmee toekomstige economische activiteiten en de daarvoor benodigde mensen en diensten in kaart moeten worden gebracht. Dat traject had hij liever aanzienlijk eerder gezien.
“Wij hadden liever Suriname 3.0 Summit gehouden, laten we zeggen vijf jaar geleden.”
Volgens de minister maakt een tijdige inventarisatie duidelijk welke opleidingen nodig zijn en of Suriname zelf voldoende arbeidskrachten beschikbaar kan maken. Daarbij schetste hij een situatie waarin tijdelijk mensen van buiten nodig kunnen zijn.
“Misschien kom je tot de conclusie”, zei Brunings, waarna hij als voorbeeld noemde dat er 500 mensen voor drie jaar moeten worden binnengebracht terwijl de achterstand wordt ingehaald.
Daarmee kondigde hij geen werving van 500 buitenlandse werknemers aan. Het aantal en de termijn waren onderdeel van een hypothetisch voorbeeld. Hij noemde ook geen herkomstland.
De uitspraak laat wel zien dat tijdelijke buitenlandse inzet binnen zijn redenering past wanneer de binnenlandse voorbereiding onvoldoende aansluit op de vraag. Welke voorwaarden daarvoor zouden gelden, hoe kennisoverdracht wordt geregeld en wanneer Surinamers die functies zouden overnemen, werkte hij in dit antwoord niet uit.
Tijdens een volgende bijeenkomst van Suriname 3.0 in november moet volgens Brunings worden uitgewerkt welke soorten arbeidskrachten nodig zijn, hoeveel en op welk moment. Die gegevens moeten vervolgens de basis vormen voor strategieën om personeel beschikbaar te maken.
De minister noemde onder meer korte trainingen, omscholing en een overstap van overheidspersoneel naar de particuliere sector. Ook moeten de bedrijven achter de projecten verantwoordelijkheid dragen voor het trainen van mensen.
In zijn toelichting presenteerde hij echter geen uitgewerkt opleidingsprogramma voor de genoemde 3.600 arbeidsplaatsen. Concrete aantallen cursisten, opleidingsbudgetten en momenten waarop mensen inzetbaar moeten zijn, bleven in dit antwoord uit.
Daar ligt de kern van het vraagstuk: de banen worden al aangekondigd, terwijl de aanpak om voldoende Surinamers daarvoor klaar te stomen nog verder moet worden ingevuld.
Brunings plaatste een kanttekening bij de vergelijking tussen de genoemde studenteninstroom en de totale personeelsvraag. Volgens hem zal waarschijnlijk een groot deel van de benodigde werknemers op andere functieniveaus werken.
Die kanttekening is relevant. Een instroomcijfer van één technische opleiding zegt op zichzelf niet hoeveel geschikte werknemers beschikbaar zijn. Bestaande vakmensen, mensen met een beroepsopleiding en werknemers die kunnen worden omgeschoold, tellen eveneens mee.
Tegelijkertijd was ook Brunings’ inschatting van de verdeling naar functieniveau voorlopig. Zonder overzicht van de benodigde beroepen blijft onduidelijk hoeveel mensen met korte trainingen kunnen worden voorbereid en voor welke functies langere opleidingstrajecten noodzakelijk zijn.
Ook over het moment waarop de volledige personeelsbehoefte ontstaat, gaf de minister geen definitief beeld. Hij zei dat het project niet onmiddellijk begint en sprak, onder voorbehoud, over drie tot vier jaar voordat het werkelijk op gang zou zijn.
Daarbij maakte hij duidelijk dat hij de projectdetails nog niet volledig kende.
Dat vraagt om een concrete fasering van Staatsolie en Zijin: wanneer begint de uitbreiding, wanneer ontstaat de grootste vraag naar personeel en hoeveel arbeidsplaatsen blijven na de bouw- en opstartfase bestaan?
Zonder die uitsplitsing zegt het getal van 3.600 weinig over hoeveel mensen op hetzelfde moment nodig zijn en hoeveel langdurige banen uiteindelijk beschikbaar komen.
Brunings erkent de achterstand en noemt mogelijkheden om die in te lopen. Maar de haalbaarheid daarvan moet blijken uit de uitvoering: beschikbare opleidingsplaatsen, financiering, selectie van kandidaten en afspraken met werkgevers.
Als buitenlandse werknemers tijdelijk nodig blijken, moet eveneens duidelijk worden voor welke functies, voor welke periode en hoe Surinaamse werknemers worden voorbereid om die werkzaamheden over te nemen.
Duizenden aangekondigde banen scheppen verwachtingen. Of Surinamers die kansen daadwerkelijk kunnen benutten, hangt af van de voorbereiding die nu nog moet worden geconcretiseerd.