
PARAMARIBO — Wie controleert of telefoongesprekken van Surinaamse burgers rechtmatig worden afgeluisterd? En hoe kan iemand achterhalen of hij onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek? Deze vragen heeft NDP-fractieleider Rabin Parmessar opgeworpen tijdens de behandeling van de nieuwe bijzondere opsporingsbevoegdheden in De Nationale Assemblée.
Parmessar waarschuwde donderdag 15 oktober 2026 voor de risico’s die ontstaan wanneer de overheid ruimere mogelijkheden krijgt om telefoongesprekken te onderscheppen, vooral in een kleine en politiek sterk gepolariseerde samenleving.
Volgens Parmessar ontstaat een spanningsveld wanneer telefoongesprekken tijdens het vooronderzoek kunnen worden afgetapt, terwijl de betrokken persoon nog niet door een rechter is veroordeeld.
Hij wees erop dat burgers soms vermoeden dat hun telefoongesprekken worden afgeluisterd, zonder dat zij weten of daadwerkelijk sprake is van een onderzoek.
Daarbij stelde hij de vraag waar een burger terechtkan om duidelijkheid te krijgen over zijn positie.
De fractieleider benadrukte dat vooral in een politiek verdeelde samenleving extra voorzichtigheid noodzakelijk is om misbruik van opsporingsbevoegdheden te voorkomen.
Zijn opmerkingen vormden geen bevestiging dat burgers momenteel onrechtmatig worden afgeluisterd, maar waren een waarschuwing voor mogelijke risico’s.
Parlementariër Raymond Sapoen sloot zich aan bij de behoefte aan duidelijkheid.
Hij wees erop dat het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris binnen het strafrechtelijke systeem een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het toestaan en controleren van ingrijpende opsporingsmethoden.
Sapoen wilde daarom van de regering weten of momenteel vertrouwelijke telefoongesprekken van Surinaamse burgers worden afgetapt en op welke wettelijke basis het aftapbeleid wordt uitgevoerd.
Volgens hem is de minister van Justitie en Politie de aangewezen persoon om hierover uitleg te geven.
Het wetsvoorstel dat momenteel in behandeling is, voorziet in bijzondere opsporingsbevoegdheden die politie en justitie moeten helpen bij het bestrijden van zware en georganiseerde criminaliteit.
Daaronder vallen stelselmatige observatie, infiltratie, het onderscheppen van communicatie en onderzoek in digitale systemen.
Deze methoden kunnen diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van burgers.
Daarom is tijdens het debat herhaaldelijk aangedrongen op duidelijke regels, rechterlijke toetsing, verslaglegging en bescherming tegen willekeur.
De discussie legt een belangrijk dilemma bloot. Opsporingsdiensten moeten voldoende mogelijkheden krijgen om zware criminaliteit aan te pakken, maar burgers moeten tegelijkertijd beschermd blijven tegen onrechtmatig toezicht.
Zolang de regering geen antwoord heeft gegeven op de vragen over het bestaande aftapbeleid en de controlemechanismen, blijft onduidelijk hoe zij die balans in de praktijk wil waarborgen.