
DNA-lid Dew Sharman zegt volledig achter het aantrekken van diasporaspelers voor Suriname te staan, maar blijft fel gekant tegen de manier waarop de nationaliteitswet daarvoor nu wordt aangepast. Volgens hem dreigt het parlement een wet te maken die vooral een dringend voetbalprobleem moet oplossen, terwijl de gevolgen veel verder kunnen reiken.
“Laat ik nogmaals herhalen: ik ben er voorstander van, alleen de wet zoals het nu is geconcipieerd, vind ik dat het niet deugt”, stelde Sharman tijdens de behandeling in De Nationale Assemblée.
Sharman benadrukte meerdere keren dat zijn kritiek niet gericht is tegen diasporaspelers. Integendeel. Spelers van Surinaamse afkomst die voor Natio willen uitkomen, moeten volgens hem juist worden gefaciliteerd.
Volgens Sharman brengen spelers die in het buitenland zijn opgeleid een andere werkhouding, mentaliteit en professionele standaard mee. Die kennis en instelling kunnen worden overgedragen aan lokale spelers en daarmee kan het Surinaamse voetbal volgens hem daadwerkelijk naar een hoger niveau worden gebracht.
Maar juist omdat het belang groter is dan één kwalificatietoernooi of één groep voetballers, vindt Sharman dat het parlement verder moet kijken. Hij waarschuwt ervoor dat de wet niet mag eindigen als een gelegenheidswet die alleen is geschreven voor het probleem van vandaag.
Sharman pleit daarom voor een bredere benadering van de Surinaamse diaspora. Volgens hem moet worden overwogen om mensen van Surinaamse origine, na een behoorlijke screening, veel ruimer toegang te geven tot het Surinaams staatsburgerschap.
Met de verwachte ontwikkeling van de olie- en gassector zal Suriname volgens hem straks niet alleen voetballers nodig hebben, maar ook ingenieurs, internationale juristen, technici en andere gespecialiseerde deskundigen.
“Als we op die manier het aantrekkelijk voor ze kunnen maken om ze de Surinaamse nationaliteit te geven, laten we dat doen. Het werkt in het voordeel van het hele land, voor het hele volk”, stelde hij.
Juist daarom noemt Sharman de huidige benadering te eng wanneer de wetswijziging in de praktijk voornamelijk wordt gebruikt om sporters, en met name voetballers, snel te faciliteren. Hij zegt de haast en urgentie te begrijpen, maar vindt dat wetgeving niet alleen voor het moment moet worden geschreven.
Een van zijn zwaarste bezwaren betreft de mogelijke gevolgen voor diasporaspelers die bijvoorbeeld ook de Nederlandse nationaliteit bezitten. Sharman waarschuwt dat de gekozen juridische constructie later alsnog door Nederlandse autoriteiten zou kunnen worden gezien als een bewuste handeling om een andere nationaliteit aan te nemen.
Volgens hem bestaat daarmee het risico dat een regeling die bedoeld is om spelers te helpen uiteindelijk juist problemen voor hen veroorzaakt. Hij waarschuwde dat Suriname niet in een situatie moet belanden waarin achteraf tegen spelers wordt gezegd dat er toch sprake was van een wilshandeling en hun bestaande nationaliteit daardoor in gevaar komt.
Dat zou volgens Sharman betekenen dat een belangrijke wet wordt aangenomen, terwijl het uiteindelijke effect “nihil en juist negatief” kan zijn voor de sporters die Suriname probeert aan te trekken.
Sharman verduidelijkte ook zijn eerdere opmerkingen over onrust rond de komst van diasporaspelers. Volgens hem bestaan er in de samenleving en binnen delen van het Surinaamse voetbal zorgen dat lokale voetballers door de komst van buitenlandse spelers hun kansen zien verdwijnen.
Daarnaast zei hij dat er een perceptie bestaat dat de haast met de wet mogelijk verband houdt met financiële belangen van voetbalorganisaties of bonden. Sharman benadrukte nadrukkelijk dat hij dit niet als zijn persoonlijke beschuldiging naar voren bracht.
“Ik heb niet een eigen mening gegeven. Ik heb gezegd wat die perceptie daar in de samenleving is”, verduidelijkte hij.
Hij stelde geen toegang te hebben tot de boeken van organisaties en daarom zelf geen dergelijke conclusie te kunnen trekken zonder onderzoek. Maar wanneer zulke geluiden in de samenleving leven, vindt hij dat het parlement ze niet simpelweg moet negeren.
Sharman sloot zich uiteindelijk aan bij de gedachte dat investeren in het Surinaamse voetbal een nationale investering kan zijn. Maar volgens hem zou dezelfde redenering dan veel breder moeten worden toegepast.
Wanneer Suriname via zijn nationaliteitsbeleid talent, kennis en expertise uit de diaspora kan terughalen, moet niet uitsluitend naar voetballers worden gekeken.
Daarmee legt Sharman een fundamenteler vraagstuk op tafel: maakt Suriname nu een oplossing voor een dringend voetbalprobleem, of grijpt het parlement deze gelegenheid aan om een duurzaam diasporabeleid voor het hele land te ontwikkelen?
Voor Sharman is de lijn duidelijk: diaspora naar Suriname halen, ja. Natio versterken, ja. Maar een nationaliteitswet maken die vooral voor het moment is geschreven, nee.