
PARAMARIBO – NDP-parlementariër Annie Sadi heeft zich opvallend uitgelaten over de discussie rond herstelgelden vanwege het slavernijverleden. Tijdens een vergadering van De Nationale Assemblée (DNA) op vrijdag 9 oktober 2026 maakte zij duidelijk dat Suriname volgens haar niet moet blijven wachten op financiële steun van Nederland. Over discussies rond herstel en herstelgelden zei zij: “Voor mij de pot op wat dat betreft.”
De uitspraak viel tijdens de behandeling van nieuwe belastingwetgeving, toen fractieleider Steven Reyme kritiek leverde op koloniale aanduidingen die volgens hem nog op bepaalde belastingdocumenten voorkomen.
Sadi sloot zich aan bij zijn oproep om de koloniale periode achter zich te laten en als onafhankelijke republiek verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen ontwikkeling.
Volgens Sadi moet Suriname af van de gedachte dat het land voor vooruitgang afhankelijk is van Nederland.
Zij benadrukte dat de koloniale geschiedenis moet worden gekend en dat daaruit lessen moeten worden getrokken. Tegelijkertijd vindt zij dat de samenleving zich sterker moet richten op wat Suriname vandaag zelf kan realiseren.
Daarbij verwees de parlementariër naar discussies die zij heeft gevoerd over herstel en financiële compensatie vanwege het verleden.
“Voor mij de pot op wat dat betreft”, verklaarde zij.
Sadi werkte niet verder uit of zij daarmee alle vormen van financiële genoegdoening afwijst, of vooral kritiek heeft op het blijven wachten op middelen uit Nederland.
Haar opmerkingen komen op een moment waarop in Suriname juist opnieuw discussie wordt gevoerd over de bestemming en het beheer van Nederlandse herstelmiddelen.
Op 9 oktober maakte stichting Grani bekend meer zeggenschap te willen voor nazaten van tot slaaf gemaakte mensen over de beschikbare middelen.
Voor Suriname is in het Nederlandse herstelprogramma in totaal €66,6 miljoen uitgetrokken voor maatschappelijke initiatieven en andere maatregelen rond erkenning, kennis, bewustwording en de doorwerking van het slavernijverleden.
Grani wil onder meer duidelijkheid over de besteding van deze middelen en de mate waarin betrokken gemeenschappen rechtstreeks kunnen meebeslissen.
Deze bestaande projectmiddelen moeten overigens worden onderscheiden van eventuele individuele herstelbetalingen of nieuwe financiële claims.
Sadi verwees in haar bijdrage niet specifiek naar het genoemde bedrag of de eisen van Grani.
Opvallend is dat Steven Reyme, op wiens betoog Sadi reageerde, vervolgens aangaf ook begrip te hebben voor mensen die financiële genoegdoening vanwege het slavernijverleden nastreven.
Hij benadrukte dat zijn eigen kritiek vooral betrekking had op het gebruik van koloniale aanduidingen in de administratie van een land dat inmiddels vijftig jaar onafhankelijk is.
Daarmee kwamen tijdens dezelfde discussie twee verschillende accenten naar voren: het belang van zelfstandige ontwikkeling en de mogelijkheid van herstel voor historisch onrecht.
De opmerkingen van Sadi roepen een bredere vraag op: moet Suriname vooral inzetten op eigen economische zelfstandigheid, of kunnen herstelmiddelen juist een bijdrage leveren aan die zelfstandigheid?