
PARAMARIBO – De voorgestelde Invorderingswet moet de Surinaamse Belastingdienst meer mogelijkheden geven om belastingschulden via digitaal derdenbeslag te innen. Maar tijdens de behandeling in De Nationale Assemblée op 13 oktober rezen opnieuw vragen over de gevolgen voor burgers die plotseling niet meer over hun banktegoeden kunnen beschikken.
Een belangrijke vraag vanuit het parlement luidde hoeveel geld iemand moet overhouden voor noodzakelijke uitgaven zoals voedsel, huur en medicijnen.
De regering heeft inmiddels een wijziging voorgesteld waarmee in artikel 17a wordt vastgelegd dat beslag wegens een belastingschuld, waaronder digitaal derdenbeslag, pas mag plaatsvinden nadat een dwangbevel aan de belastingschuldige is betekend.
Verschillende parlementariërs beschouwen dit als een verbetering, maar vinden de bescherming nog onvoldoende.
Parlementariër Kasdjo stelde de vraag of burgers afzonderlijk bericht krijgen wanneer digitaal beslag via een bank wordt uitgevoerd, of dat zij daar pas achter komen wanneer zij geen geld meer kunnen opnemen.
Ook A20-fractieleider Steven Reyme vroeg aandacht voor de bescherming van het bestaansminimum.
Volgens hem mag belastinginvordering niet betekenen dat iemand onvoldoende geld overhoudt om zijn gezin te onderhouden.
Reyme vertelde tijdens zijn bijdrage dat hij als ondernemer zelf ooit met een geblokkeerde bankrekening werd geconfronteerd terwijl hij in het buitenland verbleef. Daardoor kon hij tijdelijk geen betalingen verrichten.
Hij benadrukte dat dergelijke maatregelen voor gezinnen en ondernemers ingrijpende gevolgen kunnen hebben.
Daarnaast waarschuwde VHP-parlementariër Vickash Ramsukul voor de ruime bevoegdheden om gegevens en gegevensdragers op te vragen.
Hij verwees naar zorgen vanuit de Kamer van Koophandel en Fabrieken over onder meer bedrijfsgeheimen, privacy en digitale veiligheid wanneer gegevensdragers, zoals harde schijven, worden opgevraagd.
Volgens Ramsukul moeten dergelijke bevoegdheden duidelijke grenzen krijgen.
Bij de bespreking van digitaal derdenbeslag werd verwezen naar bedragen die volgens de wet buiten beslag moeten blijven. Een concreet bedrag dat banken voor dagelijks levensonderhoud moeten vrijlaten, werd in de voorliggende parlementaire bijdragen echter niet vastgesteld.
Daarmee blijven belangrijke vragen bestaan over de praktische uitvoering: wanneer wordt de burger geïnformeerd, welke gegevens mag de Belastingdienst opvragen en hoeveel geld blijft beschermd?
De regering moet deze vragen nog inhoudelijk beantwoorden.