
De regering legt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor de huidige problemen met de elektriciteitsvoorziening bij het beleid van de afgelopen vijf tot tien jaar. Volgens de vicepresident wordt Suriname nu geconfronteerd met de gevolgen van energie-investeringen die jaren geleden hadden moeten worden voorbereid.
Maar een blik op de investeringen in de energiesector laat zien dat het verhaal ingewikkelder ligt. Er is de afgelopen jaren wel degelijk geld gestoken in het elektriciteitssysteem. De grotere vraag is of Suriname voldoende en tijdig heeft geïnvesteerd in structurele opwekcapaciteit en alternatieven voor de huidige afhankelijkheid van waterkracht en thermische centrales.
De vicepresident verdedigde in De Nationale Assemblee minister van Natuurlijke Hulpbronnen David Abiamofo, nadat vanuit het parlement kritiek was geleverd op diens uitleg over de huidige energiesituatie.
„Wij zijn niet zomaar in die situatie terechtgekomen”, zei de vicepresident. Volgens hem moeten investeringen in de energiesector jaren van tevoren worden voorbereid.
Eerder had hij het nog scherper geformuleerd.
„Als er niet geïnvesteerd is vijf jaar terug, als er zelfs niet geïnvesteerd is tien jaar terug, gaan we de effecten daarvan nu zien.”
Daarmee legt de vicepresident een duidelijke relatie tussen de huidige problemen en beslissingen uit eerdere regeringsperioden.
Die verklaring verdient echter nuance.
In november 2021 werd bijvoorbeeld de EBS-opwekcentrale aan de Saramaccastraat uitgebreid met 42,6 megawatt. Volgens de regering steeg het beschikbare vermogen van deze centrale daarmee van ongeveer 80 naar 120 MW. De uitbreiding was volgens de overheid juist noodzakelijk omdat de elektriciteitsvraag jaarlijks met ongeveer vijf procent toenam.
Ook eerder werd geïnvesteerd. In 2019 werd de opwekcentrale in Clarapolder in Nickerie uitgebreid met twee generatoren van elk 4 MW. EBS meldde destijds al dat de elektriciteitsvraag jaarlijks met ongeveer vier procent toenam.
Daarnaast werd in februari 2020 een overeenkomst gesloten voor een IDB-programma van USD 30 miljoen. Dat programma was onder meer bedoeld voor modernisering van het elektriciteitsnet, verbetering van kritieke infrastructuur, diversificatie van de energiemix en verdere ontwikkeling van hernieuwbare energie.
De stelling dat er gedurende vijf of tien jaar eenvoudigweg niet in energie is geïnvesteerd, kan daarom niet zonder meer worden volgehouden.
Tegenover die eerdere investeringen staat inmiddels een veel grotere rekening. Minister Abiamofo heeft aangegeven dat naar schatting US$ 500 miljoen nodig is om de elektriciteitscapaciteit van Suriname in de komende twee tot drie jaar voldoende uit te breiden.
Het bedrag is volgens de minister nodig om het tekort aan opwekkingscapaciteit structureel aan te pakken.
Dat maakt de uitspraak van de vicepresident des te relevanter. Als er in de afgelopen jaren aantoonbaar tientallen miljoenen dollars zijn geïnvesteerd en nieuwe opwekkingscapaciteit is toegevoegd, maar er nu alsnog ongeveer een half miljard Amerikaanse dollar nodig is, dan is de vraag niet alleen óf er is geïnvesteerd.
De vraag is vooral of er voldoende, op tijd en in de juiste capaciteit is geïnvesteerd.
En als de regering stelt dat noodzakelijke investeringen vijf of tien jaar geleden zijn uitgebleven, is nog niet duidelijk gemaakt welke projecten dat precies waren en welk deel van de huidige investeringsbehoefte van US$ 500 miljoen daarmee voorkomen had kunnen worden.
Dat betekent niet dat de waarschuwing van de vicepresident zonder grond is.
De elektriciteitsvraag bleef groeien en Suriname bleef sterk afhankelijk van enkele grote bronnen. De Afobaka-waterkrachtcentrale alleen heeft een capaciteit van 189 MW en speelt een centrale rol in de stroomvoorziening.
Juist die afhankelijkheid wordt nu zichtbaar.
Minister Abiamofo heeft in het parlement aangegeven dat Suriname technisch gezien momenteel meer elektriciteit uit het stuwmeer zou kunnen produceren. De regering kiest daar bewust niet volledig voor, omdat daardoor meer water wordt verbruikt en bij tegenvallende regenval later een ernstiger probleem kan ontstaan.
Suriname beschikt dus over capaciteit die nu bewust niet volledig wordt aangesproken, terwijl tegelijkertijd buurten met stroomonderbrekingen worden geconfronteerd.
Dat maakt de huidige crisis niet uitsluitend een kwestie van wat vorige regeringen wel of niet hebben gedaan. Het legt ook een structurele kwetsbaarheid van het energiesysteem bloot.
Ook internationale instellingen wijzen al langer op structurele problemen.
De Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank stelde dat Suriname kampte met verouderde en zwaar belaste elektriciteitsinfrastructuur en dat langetermijnplanning voor investeringen noodzakelijk was.
Tegelijkertijd zijn projecten voor verdere modernisering en diversificatie nog steeds in uitvoering. Een IDB-programma omvat onder meer uitbreiding van transmissie- en distributie-infrastructuur, zonne-energie met batterijopslag en het opstellen van een Electricity Sector Plan 2024-2028.
Nog in augustus 2025 werd technische ondersteuning goedgekeurd voor een nieuw programma met onder andere een transmissielijn, een zonne-energiecentrale en verbeteringen aan het distributienet.
Dat roept een andere vraag op dan alleen wie in het verleden heeft nagelaten te investeren: waarom is Suriname, ondanks jaren van projecten, leningen, uitbreidingen en plannen, in 2026 nog steeds zo kwetsbaar dat tegenvallende waterstanden kunnen leiden tot het bij toerbeurt uitschakelen van buurten?
De vicepresident verzette zich tijdens de vergadering ook tegen de indruk dat minister Abiamofo naar het parlement zou zijn gekomen om over de situatie te klagen.
Volgens hem had de minister juist zakelijk uiteengezet wat er aan de hand is en welke maatregelen noodzakelijk zijn.
„De minister heeft hier zakelijk aangegeven wat de situatie is met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening en heeft ook aangegeven wat er zou moeten worden gedaan”, zei hij.
Hij noemde de kritiek op de presentatie van de minister een „ongelukkige uitspraak”.
Maar de verdediging van Abiamofo neemt de centrale vraag niet weg.
Als de regering stelt dat de problemen van vandaag vijf tot tien jaar geleden zijn ontstaan, ligt het voor de hand dat zij ook concreet maakt welke investeringen toen hadden moeten plaatsvinden, welke projecten zijn blijven liggen en hoeveel extra capaciteit Suriname daardoor vandaag tekortkomt.
Want de beschikbare gegevens laten zien dat er wel degelijk is geïnvesteerd.
En tegelijkertijd zegt de eigen minister dat nu US$ 500 miljoen nodig is om de capaciteit de komende jaren voldoende uit te breiden.
Het probleem lijkt daarom niet simpelweg dat Suriname jarenlang niets heeft gedaan. De fundamentelere vraag is of opeenvolgende regeringen voldoende snel hebben geïnvesteerd om de groeiende elektriciteitsvraag bij te houden én het land minder afhankelijk te maken van een energiesysteem dat bij droogte opnieuw onder zware druk komt te staan.
Juist op die vraag heeft de regering tot nu toe nog geen concreet antwoord gegeven.