
PARAMARIBO – Parlementariër Edgar Sampi (ABOP) wil dat inheemse en tribale gemeenschappen niet alleen wettelijke erkenning krijgen van hun traditionele woon- en leefgebieden, maar ook daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op wie daar economische activiteiten mag ondernemen. Daarnaast pleit hij voor wettelijke erkenning van het traditioneel gezag als autoriteit binnen deze gebieden.
Tijdens een interview in het radioprogramma ABC Actueel op dinsdag 13 oktober benadrukte Sampi dat de erkenning van grondenrechten volgens hem niet betekent dat het binnenland wordt afgescheiden van de rest van Suriname.
“We zijn geen staat binnen een staat”, verklaarde hij.
Sampi vindt dat investeerders niet langer uitsluitend afspraken met de centrale overheid moeten kunnen maken wanneer zij activiteiten willen ondernemen in traditionele woon- en leefgebieden.
Gemeenschappen moeten volgens hem zelf betrokken worden bij de besluitvorming en duidelijkheid krijgen over de voordelen die investeringen voor hen opleveren.
Hij denkt daarbij aan schriftelijke afspraken waarin wordt vastgelegd welke economische activiteiten plaatsvinden en wat de betrokken gemeenschappen daarvoor terugkrijgen.
Volgens Sampi blijft de overheid een leidende rol vervullen, maar moet de toestemming van de betrokken gemeenschappen een doorslaggevend onderdeel van de besluitvorming worden.
Een opvallend onderdeel van zijn betoog is de wens om het traditioneel gezag wettelijk te erkennen als autoriteit.
Volgens Sampi moet uit de erkenning van collectieve grondenrechten ook een wet op het traditioneel gezag voortvloeien.
Dat zou betekenen dat kapiteins en andere traditionele gezagsdragers een duidelijker wettelijk vastgelegde positie krijgen bij het handhaven van regels binnen hun gebieden.
Daarmee ontstaat echter een belangrijke vraag: hoe worden de bevoegdheden van het traditioneel gezag afgebakend ten opzichte van die van de centrale overheid?
Sampi benadrukte dat de centrale overheid het gezag over het volledige Surinaamse grondgebied behoudt.
De parlementariër kreeg tijdens het interview de vraag of inwoners van Paramaribo, Nickerie en andere gebieden straks nog vrij kunnen reizen, vissen of jagen in het binnenland.
Volgens Sampi is het niet de bedoeling andere Surinamers de toegang te ontzeggen.
“Geheel Suriname is voor Surinamers”, stelde hij.
Wel vindt hij dat bezoekers zich aan regels moeten houden. Als voorbeeld noemde hij dat een binnenlandbewoner ook niet zomaar elders in Suriname een stuk grond kan openkappen en daarop kan bouwen.
Volgens hem moet dat principe eveneens gelden voor traditionele woon- en leefgebieden.
Hoewel Sampi benadrukt dat de hele gemeenschap betrokken moet worden bij belangrijke beslissingen, vindt hij dat bij plaatselijke overlegvergaderingen kan worden volstaan met degenen die daadwerkelijk in de betrokken gebieden wonen.
Dat standpunt roept vragen op over de positie van gemeenschapsleden die vanwege werk, studie of andere omstandigheden buiten hun traditionele dorp verblijven.
Ook blijft onduidelijk welke procedures moeten gelden wanneer bewoners onderling verdeeld zijn over grote economische investeringen.
Juist deze vragen zijn belangrijk wanneer de regering overgaat tot wettelijke erkenning van collectieve grondenrechten.
Sampi verbond het ontbreken van wettelijke grondenrechten ook aan de discussie over de komst van Mennonieten naar Suriname.
Volgens hem zouden gemeenschappen bij een reeds bestaande wet veel duidelijker hebben kunnen bepalen of zij bepaalde activiteiten in hun traditionele gebieden willen toestaan.
Hij stelde dat de problemen rond de Mennonieten dan al opgelost hadden kunnen zijn.
Of bestaande grondenrechtenwetgeving alle problemen rond de Mennonieten daadwerkelijk had kunnen voorkomen, is daarmee niet vastgesteld. Maar volgens Sampi toont de discussie aan waarom wettelijke erkenning dringend noodzakelijk is.
De uitspraken van Sampi laten zien dat de discussie niet alleen draait om erkenning van historische rechten, maar ook om de toekomstige verdeling van zeggenschap over grond en natuurlijke hulpbronnen.
Daarbij gaat het om belangrijke economische belangen, bestaande concessies, de positie van het traditioneel gezag en de rechten van andere Surinamers.
De centrale vraag wordt daarmee hoe Suriname collectieve grondenrechten wettelijk kan erkennen en tegelijkertijd duidelijke afspraken maakt over bevoegdheden, investeringen en de rol van de staat.