
PARAMARIBO — Personeelsleden van de Nationale Milieu Autoriteit (NMA) hebben al op 18 februari 2026 ernstige vragen neergelegd bij vicepresident Gregory Rusland over de bestuurlijke en juridische inrichting van de organisatie. In een vier pagina’s tellende brief, ingezien door Rinieuws, worden onder meer vraagtekens geplaatst bij de benoeming van de directeur, het functioneren van de Raad van Toezicht, de werving van managers en de overgang van het voormalige NIMOS naar de NMA.
De brief laat zien dat de zorgen binnen de organisatie niet van recente datum zijn. Het personeel vroeg de vicepresident destijds dringend om onderzoek en verduidelijking en verzocht tevens om een audiëntie.
Een van de zwaarste punten betreft de benoeming van de directeur. De briefschrijvers verwijzen naar artikel 4 van de Milieu Raamwet en stellen dat zij geen formele informatie zouden hebben ontvangen over een presidentiële resolutie waarmee de huidige directeur is benoemd.
Volgens het personeel werd de benoeming destijds via de website en Facebookpagina van de NMA bekendgemaakt. Zij vragen zich daarom af of de benoeming volgens de wettelijk voorgeschreven procedure heeft plaatsgevonden.
Daaruit trekken de medewerkers vervolgens een verstrekkende vraag: wanneer er inderdaad iets aan de juridische grondslag van de benoeming zou ontbreken, wat betekent dat dan voor besluiten en rechtshandelingen die namens de NMA zijn verricht?
Dat is vooralsnog een vraag van de briefschrijvers en geen door Rinieuws vastgestelde juridische conclusie.
Het personeel wijst daarnaast op het directiereglement. Volgens hun lezing van artikel 4 van de Milieu Raamwet moet de directie een reglement vaststellen dat na goedkeuring door de minister wordt gepubliceerd in het Staatsblad.
De briefschrijvers stellen dat een dergelijk gepubliceerd directiereglement bij hen niet bekend is.
Ook hierover vragen zij duidelijkheid van de regering.
Een ander belangrijk onderdeel van de brief gaat over de Raad van Toezicht (RvT).
Volgens de medewerkers was in de eerste fase van de NMA wel een raad voorgesteld, maar zouden er problemen zijn geweest met de wijze waarop leden werden aangewezen en met de benoembaarheidseisen. Zij stellen verder dat een presidentiële resolutie over de benoeming van drie leden niet bij het personeel bekend zou zijn gemaakt.
Het ontbreken van effectief toezicht heeft volgens de briefschrijvers directe gevolgen voor de organisatie. Zij wijzen erop dat de RvT juist een belangrijke controlerende functie heeft bij onder meer financiële, operationele en personeelsbesluiten.
Ook de totstandkoming van een procuratiereglement — waarin onder andere bevoegdheden en financiële grenzen worden vastgelegd — wordt in dat verband genoemd.
De kritiek beperkt zich niet tot de bestuurlijke top.
Een aanzienlijk deel van de brief gaat over de manier waarop personeel na de overgang van NIMOS naar NMA zou zijn geselecteerd en geplaatst.
De medewerkers spreken zelf van “ongestructureerde/oneerlijke werving”.
Volgens hen zou voor verschillende strategische managementfuncties geen volwaardige vacatureprocedure hebben plaatsgevonden. Ook stellen zij dat eerder ontwikkelde functieprofielen voor managementfuncties hogere opleidingseisen bevatten dan uiteindelijk bij sommige benoemingen zouden zijn gehanteerd.
De brief bevat daarnaast voorbeelden van oud-NIMOS-medewerkers die volgens de schrijvers ondanks ervaring en opleiding niet op vergelijkbare functies zouden zijn geplaatst.
Deze beschuldigingen zijn op basis van de brief alleen niet onafhankelijk door Rinieuws vastgesteld.
De medewerkers brengen bovendien een mogelijke belangenverstrengeling ter sprake.
Zij stellen dat de Manager Interne Controle de levenspartner zou zijn van de Directeur Milieu bij het ministerie van OGM. De briefschrijvers plaatsen dat gegeven nadrukkelijk in de context van de interne controle binnen de NMA.
Ook hiervoor geldt dat het document de stelling van de personeelsleden weergeeft. Uit de brief zelf volgt niet dat formeel is vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is van verboden belangenverstrengeling.
De overgang van NIMOS naar NMA levert volgens het personeel nog een fundamenteler probleem op.
De medewerkers stellen dat personeel op het moment van schrijven nog via rekeningen van NIMOS werd betaald. Zij vragen daarom wie juridisch gezien hun werkgever is: NIMOS of de NMA?
Ook de vereffening van NIMOS roept vragen op. Volgens de brief was tijdens een personeelsbijeenkomst aangegeven dat NIMOS zou worden ontbonden en dat het vereffeningsproces was gestart.
De medewerkers vragen vervolgens waarom, indien die vereffening daadwerkelijk loopt, bepaalde bedrijven die diensten voor de NMA verrichten volgens hen nog via NIMOS worden betaald.
De briefschrijvers gebruiken zelf het woord “identiteitscrisis” voor de situatie.
De NMA is volgens de Milieu Raamwet een zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid. Tegelijkertijd stellen de medewerkers dat de directie in officiële correspondentie zou hebben aangegeven dat de NMA in lijn moet worden gebracht met het toenmalige ministerie van ROM, tegenwoordig OGM.
Dat roept volgens hen een fundamentele bestuurlijke vraag op: functioneert de NMA daadwerkelijk als zelfstandig bestuursorgaan, of feitelijk als onderdeel van een ministerie?
De vier pagina’s tellende brief eindigt met een nadrukkelijk verzoek aan vicepresident Rusland.
Het personeel vraagt om onderzoek en verduidelijking over de rechtmatigheid van de bestuurlijke inrichting en de besluiten binnen de NMA.
Volgens de medewerkers raakt de situatie niet alleen de interne organisatie, maar ook de rechtszekerheid van het personeel en de geloofwaardigheid van het milieubeleid van Suriname.
Daarnaast vroegen zij Rusland om een persoonlijk onderhoud om hun zorgen nader toe te lichten.
De brief dateert van 18 februari 2026. Daarmee ligt er nu een belangrijke vervolgvraag op tafel: welke actie is sinds februari door de regering ondernomen naar aanleiding van deze waarschuwingen, en zijn de bestuurlijke en juridische vragen inmiddels opgelost?