
Paramaribo – Suriname heeft nog maar enkele jaren om voldoende eigen arbeidskrachten klaar te stomen voor de groeiende olie- en gassector. Gebeurt dat niet, dan zullen werknemers van buiten het land nodig zijn. Minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu waarschuwt daarbij ook voor mogelijke gevolgen voor prijzen en inflatie wanneer Surinamers onvoldoende kunnen deelnemen aan de economische ontwikkeling.
Die waarschuwing deed Brunings bij zijn toelichting op de nieuwe roadmap voor samenwerking tussen Suriname en Venezuela, die op 11 september werd ondertekend tijdens het bezoek van de Venezolaanse president Delcy Rodríguez.
De samenwerking met Venezuela kan volgens de minister uiteindelijk worden ingezet om Surinamers sneller op te leiden en om te scholen voor de olie- en gasindustrie.
Maar achter die samenwerking ligt een grotere uitdaging: heeft Suriname straks zelf voldoende mensen om de banen van de olieboom in te vullen?
De regering probeert momenteel vast te stellen hoeveel arbeidskrachten de olie- en gassector en andere groeisectoren de komende jaren daadwerkelijk nodig zullen hebben.
Volgens Brunings moet daar eind 2026 een veel duidelijker beeld van zijn. Vervolgens wil hij al in 2027 beginnen met het gericht opleiden en omscholen van Surinamers, zodat voldoende arbeidskrachten beschikbaar zijn wanneer de vraag vanaf 2028 verder toeneemt.
“We willen die arbeidskrachten zoveel mogelijk laten vullen door Surinamers”, aldus Brunings.
Daarmee ontstaat een race tegen de klok. De offshoreontwikkelingen gaan door, terwijl opleidingen, omscholing en het opbouwen van gespecialiseerde kennis tijd kosten.
De minister gaat in zijn toelichting opvallend ver in het schetsen van wat er kan gebeuren wanneer Suriname die voorbereiding niet tijdig voor elkaar krijgt.
Wanneer Surinamers volgens hem “langs de zijkant” blijven staan, zullen andere mensen nodig zijn om het werk in Suriname te verrichten.
Daar koppelt Brunings ook een economische waarschuwing aan.
Hij stelt dat prijzen zullen stijgen en waarschuwt dat de inflatie verder kan oplopen. Wanneer Surinamers daarentegen zoveel mogelijk zelf participeren in de nieuwe economie, verwacht hij dat het land meer controle houdt over zijn eigen arbeidsmarkt.
De minister presenteert lokale deelname daarmee niet alleen als een kwestie van banen, maar ook als onderdeel van de bredere economische voorbereiding op de olie-industrie.
Precies daar ligt voorlopig nog een belangrijke onbeantwoorde vraag.
Brunings noemt in het gesprek nog geen concreet aantal arbeidskrachten dat vanaf 2028 nodig zal zijn. Ook is nog niet duidelijk hoeveel daarvan met de huidige Surinaamse beroepsbevolking kunnen worden ingevuld, welke beroepen de grootste tekorten zullen kennen en hoeveel mensen binnen twee jaar moeten worden omgeschoold.
De regering wil die behoefte eerst in kaart brengen.
Daarbij wordt gekeken naar arbeidskrachten, diensten en goederen die de nieuwe economie nodig zal hebben. Die informatie moet vervolgens met de samenleving en het bedrijfsleven worden gedeeld, zodat werknemers, ondernemers en opleidingsinstituten zich kunnen voorbereiden.
Tegen die achtergrond krijgt de onlangs ondertekende roadmap met Venezuela een andere betekenis.
Het document is nog geen concrete olie- of gasdeal. Volgens Brunings gaat het om een traject dat uiteindelijk moet leiden tot afzonderlijke overeenkomsten en samenwerkingsprojecten.
Suriname wil onder meer kijken naar trainingen, opleidingen, gezamenlijk onderzoek, uitwisseling van studenten en docenten en technologie.
Venezuela heeft decennialange ervaring met olieproductie. Brunings noemt specifiek de kennis rond zware olie als mogelijk interessant voor Suriname, omdat ook de onshorevelden in Saramacca zware olie bevatten.
Ook onderzoeksfaciliteiten in Venezuela zouden mogelijk door Staatsolie en andere Surinaamse partijen kunnen worden benut.
Begin 2027 moeten de eerste verkennende gesprekken plaatsvinden. In het eerste en mogelijk tweede kwartaal wil Suriname via een Fact Finding Mission vaststellen wat Venezuela daadwerkelijk kan aanbieden en wat Suriname op zijn beurt kan bijdragen.
Pas daarna moeten concrete overeenkomsten worden uitgewerkt.
Brunings verwacht dat vanaf de tweede helft van 2027 de eerste tastbare activiteiten mogelijk worden, zoals het uitzenden van studenten, het aantrekken van docenten en het uitvoeren van gezamenlijk onderzoek.
De roadmap verschilt volgens hem daarmee van de vroegere Petrocaribe-regeling, die voornamelijk draaide om olieleveringen en betalingsafspraken.
Tegelijkertijd bewegen de offshoreontwikkelingen door.
Brunings zegt dat rond november een Final Investment Decision (FID) wordt verwacht voor de eerste gasontwikkeling van Petronas. Daarnaast spreekt hij over een mogelijke tweede FID van Petronas in 2027 voor een olieontwikkeling.
Ook GranMorgu beweegt richting productie vanaf 2028.
Volgens Brunings wordt daarnaast verder gewerkt aan exploratie in verschillende offshoreblokken.
Die ontwikkelingen maken de personeelsvraag steeds urgenter. Het gaat bovendien niet uitsluitend om mensen die rechtstreeks op olieplatforms werken. Rond een groeiende offshore-industrie zijn ook technische dienstverlening, logistiek, infrastructuur, juridische expertise, milieutoezicht en tal van ondersteunende diensten nodig.
De boodschap van Brunings maakt daarmee duidelijk dat de discussie over de olie-industrie niet alleen over reserves, miljardeninvesteringen en toekomstige staatsinkomsten kan gaan.
Er ontstaat tegelijkertijd een veel praktischere vraag:
Wie gaat al dat werk doen?
De regering wil eind dit jaar weten hoeveel mensen en welke vaardigheden nodig zijn. In 2027 moet de omscholing en voorbereiding worden versneld. Vanaf 2028 moet een groter deel van die arbeidskracht beschikbaar zijn.
Lukt dat onvoldoende, dan heeft Brunings zelf het alternatief geschetst: Suriname zal mensen van buiten nodig hebben.
De komende twee jaar bepalen daardoor mede of Surinamers straks vooral toeschouwer zijn van de olieboom, of daadwerkelijk een groot deel van de nieuwe banen kunnen innemen.