
De druk op de Surinaamse regering om met een nieuwe loonstructuur voor onderwijsgevenden te komen, wordt opgevoerd. De gezamenlijke onderwijsbonden willen vóór 1 oktober duidelijkheid over wat leerkrachten financieel kunnen verwachten. FOLS-president Bernice Barron noemt die datum in feite een ultimatum en waarschuwt dat zonder verbetering opnieuw leerkrachten uit het onderwijs kunnen vertrekken.
De nieuwe loonreeks is op 14 september aan de regering gepresenteerd. Op 24 september staat de eerste plenaire onderhandelingsronde gepland. Indien partijen er die dag niet uitkomen, wordt het overleg op 25 september voortgezet.
Barron schetst een financieel beeld dat volgens de bonden niet langer houdbaar is. Het laagste startsalaris voor een onderwijsgevende ligt volgens haar rond SRD 12.700. Voor een eerstegraads leerkracht ligt het aanvangssalaris ongeveer tussen SRD 22.000 en SRD 23.000.
Volgens Barron is ook dat hogere bedrag onvoldoende om zonder extra inkomsten rond te komen.
Het probleem is volgens haar dat leerkrachten daardoor worden gedwongen naast het onderwijs ander werk te verrichten. Dat gaat uiteindelijk ten koste van de rust en voorbereiding die nodig zijn om goed onderwijs te kunnen verzorgen.
Hoeveel de onderwijsbonden precies eisen, wil Barron voorlopig niet bekendmaken.
De bonden hebben een uitgebreide presentatie van ongeveer 21 pagina’s bij de regering ingediend waarin verschillende functies afzonderlijk zijn doorgerekend. Daarbij is onder meer gekeken naar schoolleiders, directeuren en onderwijsgevenden op verschillende opleidingsniveaus.
Volgens Barron is een systeem ontwikkeld waarmee de regering via een bepaalde factor verschillende financiële scenario’s kan doorrekenen.
De regering beschikt daarmee volgens haar over voldoende materiaal om tijdens de onderhandelingen met concrete voorstellen te komen.
Veel ruimte voor langdurig overleg lijkt er niet meer te zijn.
Op de vraag of 1 oktober als ultimatum kan worden beschouwd, antwoordde Barron bevestigend. Wat de onderwijsbonden precies zullen doen als er tegen die tijd geen overeenstemming ligt, houdt zij nog open.
Wel waarschuwt zij dat de regering eerder al is gewezen op het risico dat nog meer onderwijsgevenden vertrekken.
Volgens Barron zoeken leerkrachten niet alleen werk in andere sectoren, maar vertrekken zij ook naar Nederland en andere delen van het Caribisch gebied.
De uitstroom speelt volgens haar op vrijwel alle onderwijsniveaus.
Niet alleen het salaris speelt een rol.
Barron noemt als voorbeeld onderwijsgevenden die overstappen van bijzondere scholen naar het openbaar onderwijs omdat zij daar dichter bij hun woonplaats geplaatst kunnen worden. Brandstofkosten, reistijd en files wegen volgens haar steeds zwaarder mee.
Voor een leerkracht kan een baan dichter bij huis daardoor financieel aantrekkelijker worden, zelfs wanneer het werk inhoudelijk nauwelijks verandert.
Opvallend is dat de onderwijsbonden niet meer volledig als één blok opereren.
FOLS trekt samen op met onder meer het Syndicaat, DoHoS en VWPU. BvL/ALS heeft ervoor gekozen een eigen traject te volgen en heeft eveneens een loonvoorstel bij de regering gepresenteerd.
Volgens Barron verschillen de voorstellen echter niet fundamenteel van elkaar.
Uiteindelijk zal volgens haar één loonstructuur voor het onderwijs moeten worden vastgesteld.
Naast de salarissen hangt er nog een ander probleem boven de start van het nieuwe schooljaar: het tekort aan leerkrachten.
Barron zegt dat de aanwas van nieuwe onderwijsgevenden zeer stroef verloopt. Tegelijkertijd verlaten bestaande krachten de sector of zoeken zij alternatieven.
De bonden zeggen bovendien nog onvoldoende zicht te hebben op de volledige voorbereiding van het nieuwe schooljaar.
Barron is kritisch op de communicatie vanuit het ministerie van Onderwijs. Volgens haar zouden de onderwijsorganisaties niet steeds zelf om overleg moeten hoeven vragen wanneer belangrijke informatie over personeelstekorten en de schoolstart beschikbaar is.
Daarmee lopen twee dossiers inmiddels rechtstreeks door elkaar: de vraag of er voldoende leerkrachten beschikbaar zijn én de vraag tegen welk salaris zij bereid zijn voor de klas te blijven staan.
De regering en de onderwijsbonden hebben nog minder dan twee weken voordat het nieuwe schooljaar begint.
Voor Barron staat één ding vast: vóór 1 oktober moet duidelijk zijn waar de onderwijsgevenden financieel aan toe zijn.
Wat er gebeurt als die duidelijkheid uitblijft, is voorlopig de belangrijkste onbeantwoorde vraag.