
PARAMARIBO — ABOP-leider en vicevoorzitter van De Nationale Assemblée Ronnie Brunswijk heeft gereageerd op kritiek dat zijn partij verantwoordelijk zou zijn voor problemen en achteruitgang in het Surinaamse binnenland. In een interview op DTV sprak hij zijn teleurstelling uit over uitspraken van kapiteins, verdedigde hij projecten in het binnenland en zette hij uiteen hoe volgens hem de kleinschalige goudsector beter kan worden geordend.
Aanleiding voor zijn reactie waren onder meer uitspraken van kapiteins die tijdens een bijeenkomst kritiek hadden geuit op ABOP en de ontwikkelingen in het binnenland. Daarbij werd onder meer gesteld dat ABOP het binnenland zou hebben “vernietigd”.
Brunswijk maakte duidelijk dat vooral de houding van de traditionele gezagsdragers hem dwarszit.
“Ik ben zo teleurgesteld in de kapitein”, zei hij nadat een gedeelte van de betreffende opname was besproken. Vervolgens verduidelijkte hij dat zijn teleurstelling betrekking had op beide kapiteins die daarin aan het woord waren gekomen.
Ook de politieke positie van ABOP binnen de coalitie kwam ter sprake. Brunswijk wees de kwalificatie van de hand dat hij zou dreigen wanneer hij kritiek uit op ontwikkelingen binnen de regering.
“Ik dreig niet. Ik zeg die dingen zoals ze zijn”, reageerde Brunswijk.
Volgens hem moeten zijn uitspraken en de druk die rond ABOP wordt ervaren niet worden uitgelegd als dreigementen. “Ik heb nooit gedreigd”, stelde hij.
Brunswijk maakte tegelijkertijd duidelijk dat hij verwacht dat afspraken binnen de samenwerking worden nagekomen. Coalitiepartners moeten elkaar volgens hem helpen.
Een belangrijk gedeelte van het interview ging over de ontwikkeling van het binnenland. Brunswijk verdedigde projecten die eerder zijn voorbereid of uitgevoerd en stelde dat ontwikkeling niet iedere vijf jaar opnieuw kan beginnen.
Volgens hem moet er sprake zijn van continuïteit van beleid.
Hij verwees onder meer naar elektriciteitsvoorziening en plannen voor Boven-Suriname. Projecten die al in de planning zaten, moeten volgens Brunswijk daadwerkelijk worden uitgevoerd wanneer zij van belang zijn voor de ontwikkeling van gemeenschappen.
“Je moet het continueren”, stelde hij.
Brunswijk verzette zich daarmee tegen het idee dat bij een regeringswisseling automatisch alles wat daarvoor is begonnen moet verdwijnen. Projecten moeten volgens hem worden uitgevoerd en afgerond.
Een aanzienlijk gedeelte van het gesprek ging over de kleinschalige goudwinning.
Brunswijk pleitte daarbij voor een systeem waarin economische activiteiten beter worden geregistreerd en mensen en bedrijven die inkomsten uit de sector halen ook financieel bijdragen aan de overheid.
Tijdens zijn uitleg sprak hij onder meer over bedrijven, operators, belastingafdracht en het vastleggen van betalingen.
Hij schetste een model waarbij via registratie kan worden bijgehouden wie inkomsten ontvangt, waarna een bijdrage richting de overheid wordt afgedragen.
Brunswijk gebruikte daarbij verschillende rekenvoorbeelden. De exacte bedragen en percentages zijn in de opname niet overal voldoende duidelijk om die betrouwbaar over te nemen.
De kern van zijn voorstel is wel duidelijk: wie inkomsten haalt uit de kleinschalige goudwinning moet volgens Brunswijk aantoonbaar bijdragen aan de staatskas.
Ook de vraag of Brunswijk en aan hem gelieerde activiteiten zelf belasting afdragen kwam ter sprake.
Brunswijk verwees daarbij naar het systeem dat hij daarvoor had beschreven. Volgens zijn uitleg moeten bedrijven en operators bijdragen en moeten betalingen zodanig worden geregistreerd dat duidelijk is wat richting de overheid wordt afgedragen.
“Dus allemaal bijdragen”, stelde hij.
Daarmee koppelt Brunswijk de ordening van de goudsector niet alleen aan controle op wie waar actief is, maar ook aan belastingafdracht.
Aan het einde van het gesprek kwam ook een ontruiming ter sprake waarbij volgens de uitzending 21 personen betrokken waren. Daarbij werd de districtscommissaris genoemd in relatie tot de opdracht voor de ontruiming.
Uit het gesprek is echter niet voldoende duidelijk op te maken welke specifieke verantwoordelijkheid Brunswijk zelf aan de districtscommissaris toeschrijft.
Wel sprak hij vervolgens over het bredere probleem van ordening. Volgens Brunswijk betekent het verwijderen van een beperkt aantal mensen niet automatisch dat een gebied structureel is geordend.
Hij gaf als voorbeeld dat wanneer er 1.500 mensen aanwezig zijn, dat aantal korte tijd later alweer kan zijn opgelopen tot 2.000.
Brunswijk laat de kritiek op ABOP daarmee niet onbeantwoord. Hij verdedigt projecten die tijdens zijn periode als vicepresident zijn uitgevoerd of voorbereid en spreekt zijn teleurstelling uit over kapiteins die zijn partij verantwoordelijk houden voor de situatie in het binnenland.
Tegelijkertijd legt hij nadruk op continuïteit van beleid. Projecten die al zijn voorbereid of begonnen, moeten volgens hem niet verdwijnen zodra een nieuwe regering aantreedt.
Ook bij de ordening van de kleinschalige goudsector kiest Brunswijk niet uitsluitend voor ontruiming. Hij spreekt over registratie, belastingafdracht en een systeem waarbij bedrijven, operators en mensen die inkomsten uit de sector halen bijdragen aan de overheid.
Zijn boodschap komt daarmee op twee punten neer: ontwikkeling in het binnenland moet volgens hem worden voortgezet en de goudsector moet structureel worden geordend.