
DEN HAAG — De Nederlandse overheid mocht het Nederlanderschap intrekken van een man die naar Syrië was gereisd en daar betrokken raakte bij jihadistische terroristische organisaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft woensdag 30 september geoordeeld dat de minister van Justitie en Veiligheid daarmee geen verboden direct onderscheid maakt op basis van afkomst of afstamming.
De uitspraak is opvallend omdat de rechtbank Amsterdam in maart 2025 nog tot een ander oordeel kwam. Die rechtbank oordeelde dat het intrekken van het Nederlanderschap in deze zaak neerkwam op verboden direct onderscheid. De hoogste algemene bestuursrechter van Nederland gaat daar nu niet in mee.
De zaak draait om een man die zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezat. Hij vertrok in juli 2013 via Turkije naar Syrië en sloot zich daar aan bij jihadistische terroristische organisaties. Volgens de uitspraak ging het onder meer om Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa.
Na zijn terugkeer naar Nederland werd hij strafrechtelijk vervolgd. De rechtbank Rotterdam veroordeelde hem in 2019 tot vijf jaar en zes maanden gevangenisstraf voor onder meer deelname aan een terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen gericht op terroristische aanslagen.
De overheid besloot vervolgens zijn Nederlanderschap in te trekken.
Een belangrijk onderdeel van de zaak is dat Nederland iemand door zo’n besluit niet staatloos mag maken. Daardoor kan deze vorm van intrekking in de praktijk alleen worden toegepast wanneer iemand daarnaast nog een andere nationaliteit bezit.
De Raad van State erkent dat hierdoor wel degelijk een indirect onderscheid kan ontstaan. Nederlanders met meerdere nationaliteiten kunnen immers hun Nederlandse nationaliteit verliezen, terwijl iemand die uitsluitend Nederlander is die nationaliteit in dezelfde situatie niet kan worden afgenomen wanneer dat tot staatloosheid zou leiden.
Volgens de Raad van State betekent dat echter niet automatisch dat het onderscheid verboden is.
Voor indirect onderscheid kan een juridische rechtvaardiging bestaan. Daarbij moet onder meer worden gekeken of het verschil in behandeling een legitiem doel heeft en of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenredig is.
Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak wordt in deze zaak aan die voorwaarden voldaan. De man heeft zich door het plegen van terroristische misdrijven zodanig tegen de Nederlandse belangen gekeerd dat de overheid de band met Nederland mocht beëindigen. Bovendien wordt hij door het besluit niet staatloos, omdat hij zijn Marokkaanse nationaliteit behoudt.
Het gevolg van de uitspraak is dat het besluit van de minister in stand blijft. De man is zijn Nederlandse nationaliteit daarmee definitief kwijt.
Daar blijft het niet bij. De minister van Asiel en Migratie heeft hem ook opgedragen Nederland te verlaten en hem een inreisverbod opgelegd. Ook die besluiten zijn volgens de Raad van State met een afzonderlijke uitspraak van 30 september definitief geworden.
De zaak is daarmee ook relevant voor de bredere discussie over de mogelijkheid om het Nederlanderschap af te nemen van personen die betrokken zijn bij terroristische organisaties. De Nederlandse regels maken daarbij een belangrijk onderscheid: intrekking wegens bepaalde misdrijven mag niet tot staatloosheid leiden.